Het was een zonnige dag in Loefjesland. De kinderen waren hier blij om vooral omdat ze geen school hadden. Het was namelijk vrijdagnamiddag en dan hadden ze vrij tot maandagochtend. Het was zo één van die dagen waarop je fijn buiten met je vrienden en vriendinnetjes spelletjes ging spelen. Kannelijntje, Loreliefje en Yonie waren van de partij. Omdat ze met teveel waren om verstoppertje te spelen en ze niet genoeg ruimte hadden om tikkertje te spelen, hadden ze voor schippertje gekozen. Je weet misschien hoe het spelletje gaat? Het gaat zo: één kind speelt de schipper die in het midden gaat staan. De andere kinderen zijn de scheepjes en moeten proberen over te varen en zich daarbij houden aan de regels die de schipper hen oplegt. Als de schipper vond dat iemand zich niet aan de regels hield, mocht hij deze aantikken. De aangetikte persoon werd dan zelf schipper en de schipper een scheepje en het spelletje werd herhaald. Zo bleven de scheepjes over en weer gaan van de ene naar de andere kant net zolang men het spelletje beu werd.
De kinderen hadden met steentjes twee grenzen gemaakt aan de noordkant van Loefjesland. De ene grens lag bij de appelboom en de andere grens bij het veld met de gewassen die nu hoog waren opgeschoten en een golvende zee van goud, groen en zilver (door de katoenbollen) vormden. Tussen deze twee grenzen was de zee die de scheepjes moesten oversteken. De schipper mocht enkel in de zee de scheepjes proberen aan te tikken en niet over de grenzen lopen. De schipper moest de scheepjes wel de kans geven om de opdracht die hij of zij hen gaf uit te voeren. De schipper moest de scheepjes dus een opdracht geven. Hij kon bijvoorbeeld zeggen dat ze een dier moesten nadoen of een of ander ander ding uitbeelden. Of hij kon hen ook vragen om een actie uit te voeren zoals springen, kruipen, rollen. De opdracht was bij het oversteken van de appelboom naar het veld. In de omgekeerde richting ging het om iets dat je had of niet had. De schipper mocht bijvoorbeeld zeggen dat iemand die een kledingstuk van een bepaalde kleur aanhad wel of niet over mocht. De kinderen waren het spelletje nu al een tijdje aan het spelen en zongen voor iedere oversteek het volgende liedje:
Schipper mag ik overvaren
Ja of nee?
Moet ik dan een cent betalen
Ja of nee?
De schipper was nu Gerloef die zich de laatste keer vrijwillig door Kannelijntje had laten aantikken. De kinderen moesten van de boom naar het veld gaan, dat betekende “iets doen”. Gerloef sprak: “Jullie moeten een worm nadoen.” Dit zorgde bij veel kinderen voor een somber gezicht vooral dan bij de meisjes die een mooie jurk droegen. “Oh neen, daar gaat mijn mooie bloemenkleedje vast van scheuren.”zei Kannelijntje. Loreliefje zei: “Dat geeft toch niks. We kunnen dat wel weer herstellen. Onze moeders helpen ons wel als er scheurtjes komen. Kom, we doen het samen.” Gerloef moest lachen toen hij al die kinderen op hun buik en ellebogen kronkelend over de grond zag kruipen. Hij hield daarbij speciaal Kannelijntje en Loreliefje in het oog. Yonie daarentegen ging op haar knieën en begon koprolletjes te doen. Natuurlijk was dat helemaal verkeerd, maar Gerloef had geen oog voor haar. Hij bleef kijken naar hoe Kannelijntje en Loreliefje het deden. Hij lachte en zei: “Heel goed meisjes. Schudt maar met die poepjes!” Toen ze aan de overkant waren, bromde Kannelijntje: “Dit doet hij echt met opzet! Kijk toch eens hoe vuil mijn jurk is!” Loreliefje probeerde ook het vuil van haar jurk te vegen en zei: “Wel je bent niet alleen. Je weet toch dat hij altijd ons probeert te vangen.” Kannelijntje zei: “En vooral mij dan. Wat zal het nu weer zijn? Ieder die vleugels heeft mag niet over zeker?” Gerloef had dit gehoord en sprak: “Dat is een goed idee, Kannelijntje. Maar ik zal het eerlijk spelen. Enkel die met vlindervleugels mogen niet oversteken.” Kannelijntje bromde: “Haha, erg grappig hoor! Heel toevallig ben ik de enige met vlindervleugels.” Dat klopte, want Yonie was het enige andere elfje dat meedeed en zij had vleermuisvleugeltjes.
Yonie sprak lachend tot Kannelijntje: “Willen we even ruilen van vleugels?” Kannelijntje zuchtte: “Misschien kan je beter wat doen om hem af te leiden in plaats van flauwe moppen te tappen.” Yonie reageerde heftig: “Wel ik heb anders wel geprobeerd om zijn aandacht te trekken door opzettelijk verkeerd te doen, maar hij moet blijkbaar mij niet hebben. Maar geen nood, ik weet wel een manier om hem te verschalken. Blijf hier maar staan.” Ondertussen begonnen de andere kinderen al over te steken. Alleen Loreliefje bleef vertwijfeld staan. Zij wilde haar vriendinnetje helpen, maar wist niet hoe. Gerloef keek grijnzend naar Kannelijntje, terwijl de andere kinderen langs hem doorliepen. Yonie stapte op Loreliefje af en fluisterde haar iets in het oor. Loreliefje liep daarna ook over. Gerloef gunde Loreliefje geen blik en keek naar Kannelijntje die nog steeds samen met Yonie achter de grens stond. “Nu zal je me niet meer ontsnappen, Kannelijntje!” zei Gerloef plagerig “Ik tel tot vijf en dan moet je eruit komen.” Yonie fluisterde Kannelijntje toe dat ze achter haar moest blijven. Gerloef was inmiddels beginnen te tellen. Bij drie porde Yonie Kannelijntje aan om buiten te gaan. Kannelijntje legde haar hand op de schouder van Yonie en stapte zo mooi achter haar blijvend over de grens.
Yonie stopte toen ze vlak voor Gerloef was gekomen en keek hem een beetje uitdagend aan. Kannelijntje maakte zich een beetje kleiner hopende dat Gerloef niet op haar zou letten. Gerloef sprak boos: “Ga weg, Yonie! Je mag geen hindernis vormen!” Yonie lachte en sprak: “Een hindernis moet je gewoon omduwen als die je in de weg loopt.” “Omduwen?” sprak Gerloef vertwijfeld. “Ja zo!” zei Yonie en gaf Gerloef een flinke duw. Gerloef was een grote jongen die stevig op zijn benen stond. Die duwde je niet zomaar om, ook Yonie niet die toch vrij sterk was. Hij had echter niet gezien dat Tommeloef achter hem was komen zitten, opgerold als een engeltje. Hierdoor viel Gerloef achterwaarts over Tommeloef. Snel liepen Yonie en Kannelijntje over. Loreliefje liep snel terug om Tommeloef recht te helpen. Daarna hielpen ze een luid vloekende Gerloef overeind. “Je hebt je toch geen pijn gedaan?” sprak Loreliefje een lach onderdrukkend. “Neen!” bromde Gerloef “Oh, wacht maar! Ik krijg jullie nog wel!”
Yonie riep Gerloef uitdagend toe: “Vallen is gezond, Gerloef! Daar word je groot en sterk van!” Kannelijntje zei niets. Ze lachte ook niet zoals de andere kinderen. Ze was een beetje bang dat Gerloef haar nu nog meer ging viseren. Gerloef bromde: “Eenieder die niet vliegen kan, mag niet over. Als je over wil, zul je echt moeten vliegen!” De kinderen waren verbaasd. Terwijl hij eigenlijk boos zou moeten zijn op de twee elfjes, richtte hij zijn pijlen op de andere kinderen. Yonie zei tot de andere kinderen die aan het zuchten waren: “Geen nood, ik weet er al iets op.” Kannelijntje zei: “Alsjeblieft Yonie, zeg niet dat we hem weer moeten doen vallen. Hij is nu al zo boos op ons.” Yonie zei: “Neen, we sleuren hem mee de lucht in. Hij moet ons immers niet hebben. Zo kan hij niet aan de anderen.” Kannelijntje glimlachte en zei: “Ik heb een nog veel beter plan.” Ze liep naar de boterbloempjes die bij de appelboom groeiden en plukte er twee. Ze gaf er eentje aan Yonie die meteen begreep wat Kannelijntje bedoelde. Yonie zei: “Wie heeft er zin om te vliegen?” Daar zeiden de andere kinderen niet neen op.
Yonie en Kannelijntje gingen nu boven de andere kinderen vliegen. Ze haalden stuifmeel uit de bloempjes en wreven de korrels tussen hun handjes. Het daalde neer als elfjesstof, precies gouden sterretjes over de kinderen. Van het moment dat het stof op hun hoofdjes viel, stegen ze langzaam op. Door met hun handen en voeten te bewegen, zwommen ze door de lucht. Zo leek het alsof ze zonder vleugels aan het vliegen waren. Dit vond iedereen plezierig, behalve Gerloef dan die stond te foeteren dat ze een stelletjes valsspelers waren. Kannelijntje ging nu vlak boven hem vliegen en strooide het laatste elfjesstof over hem uit. Het raakte zijn hoofd nog maar of daar ging hij de lucht in. Hij schrok en begon luid te roepen om hulp. Toen hij op de hoogte van een lachend Kannelijntje was gekomen, greep hij haar vast. Kannelijntje sprak: “Gerloef waarom hou je me zo krampachtig vast? Je bent toch niet bang?” Gerloef stotterde: “Bang? Ik ben niet bang hoor. Euh, misschien toch een heel klein beetje. Ik kan toch niet vallen, hé? Je houdt me toch vast?” Kannelijntje moest opnieuw lachen. Zo een stoere kerel die plots bang was om te vallen. Anders had hij altijd een grote mond. “Sorry dat je werd omgeduwd.” Zei Kannelijntje “Ik wist echt niet dat Yonie dat van plan was.” “Ik wist wel dat jij zoiets niet zou bedenken.”zei hij flemend tot haar “Jij bent daar te braaf voor.” Kannelijntje vroeg:;”Heb je je echt geen pijn gedaan?” Gerloef zei: “Neen, of ja nu je het zegt… Ik heb toch een beetje pijn in mijn rug. Kun je daar misschien een beetje wrijven? Jij hebt zo van die fijne poezelige handjes.” Kannelijntje ging achter hem vliegen en masseerde zijn rug. Gerloef genoot zichtbaar en gaf voortdurend aanwijzingen zoals ‘een beetje lager of hoger, een beetje meer naar links of naar rechts’. Hij sprak: “Nu je toch bezig bent, kan je misschien ook even mijn nek masseren. Hij voelt een beetje stijf aan.”Kannelijntje zuchtte. Ze wenste dat ze hem nooit gevraagd had of hij pijn had.
Yonie had ook gemerkt dat Gerloef een beetje teveel aan het profiteren was van de goedhartigheid van Kannelijntje en besloot om in te grijpen. Ze deed teken dat Kannelijntje opzij moest gaan, hetgeen het meisje deed. Gerloef had niet door dat Yonie de plaats van Kannelijntje had ingenomen. Yonie begon nu de rug van Gerloef te masseren, maar deed het iets hardhandiger. Het duurde niet lang voordat Gerloef hierop reageerde: “Niet zo ruw, Kannelijntje. Daarstraks deed je het veel beter.” Yonie sprak: “Ik zal je anders wat laten lachen.” Yonie begon meteen Gerloef onder de armen te kriebelen. Gerloef gierde het uit: “Hahaha! Niet doen! Ik kan niet tegen kietelen!” Kannelijntje moest hierom ook lachen. Ze keek tevreden hoe alle kinderen door de lucht zwommen en hier het grootste plezier aan beleefden. Ze vonden het leuk om ook een beetje elfje te zijn al was het maar voor even. De werking van het elfjesstof was immers maar van korte duur. Eens als het was uitgewerkt, dan zakten ze weer heel rustig naar beneden.
Kannelijntje zag hoe Loreliefje en Tommeloef elkaar met beide handen vast hadden genomen. Ze waren vrolijk in het rond aan het draaien. Het leek wel alsof ze de molenwieken van een windmolen probeerden na te doen. Hier werden ze toch wel een beetje draaierig van. Het was Tommeloef die loste. Hierdoor vlogen ze allebei een andere richting uit. Loreliefje vloog in de richting van de boom, maar Kannelijntje was snel genoeg om haar vriendinnetje op te vangen. Zo voorkwam ze dat Loreliefje tegen de boom zou opgebotst zijn. Tommeloef vloog in de richting van her graanveld. Bij hem was het elfjesstof ondertussen al uitgewerkt en hij ging door de kracht van het wegvliegen sneller naar beneden. Ja je mag gerust zeggen dat hij aan het vallen was. Gelukkig kon hij zich aan een graanstengel vastklampen. Deze was echter nogal glad waardoor deze door zijn handen gleed. Hierdoor schoof hij toch naar beneden en belandde uiteindelijk met zijn achterwerk op de grond. Kannelijntje vloog meteen naar hem toe, Loreliefje nog steeds vasthoudend. De meisjes landden vlak langs hem en zagen de pijnlijke trekken op zijn gezicht. Hij deed echt zijn best om niet te huilen.
“Heb je ergens pijn, Tommeloef?” vroeg Loreliefje bezorgd. “Mijn handen.”zei Tommeloef “Het lijkt wel alsof ze in brand staan.” Kannelijntje vroeg hem om zijn handen te tonen. Hij toonde ze met tegenzin. Zijn handen waren helemaal rood. “Laat mij maar even.”zei Kannelijntje. Ze nam zijn handen in de hare. Al snel voelde Tommeloef geen pijn meer. “Wat een geluk toch dat je zo een magische handen hebt, Kannelijntje.”zei Loreliefje. Ondertussen zakten ook de andere kinderen langzaam naar beneden. Gerloef stond ook al met beide voeten op de grond en stapte naar het drietal toe. Hij zei: “Wat nu? Heeft het kleine Tommeloefje zich pijn gedaan? Wil hij misschien een potje gaan huilen bij zijn mammie?” Kannelijntje sprong op en zei: “Ik zou anders wel eens willen weten of jij het zo leuk zou vinden om te vallen en je handen te verbranden aan een graanstengel. Jij was anders ook niet de grote held toen je de lucht in ging.” Gerloef bromde: Nou en? Ik ga niet zitten janken. Tommeloef is een slaphanger. Een vingerknip en hij begint te grienen.” Nu kwam ook Yonie tussenbeide en zei tot Gerloef: “Alsof jij zo sterk bent! Volgens mij kan je niet eens winnen van een meisje.” “Zwijg jij of moet ik jou eens tegen de grond werken?” zei Gerloef. “Denk je dat ik bang voor je ben?” riep Yonie “Als je wil vechten kom maar op.” Yonie ging met gebalde vuisten voor hem staan. “Ik vecht niet tegen meisjes, ook al zien ze er uit als een jongen.”zei Gerloef “Wat! Neem dat terug!” riep Yonie uit. Ze greep nu Gerloef woedend bij zijn kraag. Yonie mocht er dan jongensachtig uit zien met haar korte kapsel en zich als een kwajongen gedragen, je mocht haar nooit een jongen noemen. Als je dat deed, ja dan werd ze heel boos. Kannelijntje kwam snel tussenbeide en sprak: “Laat Los Yonie. Meisjes vechten niet.” Yonie liet hem los en bromde: “Hij mag me geen jongen noemen. Ik ben verdorie een meisje!” “Ja, je bent een mooie jonge dame.”sprak Kannelijntje “Ik ben er zeker van dat Gerloef er ook zo over denkt. Is het niet, Gerloef?” Kannelijntje keek Gerloef vermanend aan. Gerloef sprak met tegenzin mompelend: “Sorry Yonie. Ik meende dat niet zo. Je bent een mooi meisje.” Ook al geloofde Yonie er niet veel van, ze aanvaardde toch zijn excuses.
Ondertussen was Tommeloef erbij komen staan. Hij wierp zijn muts op de grond voor de voeten van Gerloef en sprak: “Ik daag je uit.” Gerloef lachte en nam ook zijn muts af om die vervolgens aan de voeten van Tommeloef te werpen. “Ik neem de uitdaging aan. Zeg me maar waar en wanneer ik je in elkaar moet slaan.” Tommeloef sprak: “Niet om te vechten. Ik daag je uit tot een partijtje sparrenappelen.” De meisjes haalden opgelucht adem toen Tommeloef dat zei. Ze dachten eerst dat Tommeloef gek was geworden door hem uit te dagen voor een gevecht. “Sparrenappelen?”zei Gerloef verbaasd“Ben je misschien vergeten dat ik kampioen ben geworden in mijn leeftijdscategorie?” Tommeloef zei: “Ik ben ook kampioen geworden in mijn leeftijdscategorie. Volgend tornooi speel ik in jouw categorie.” “En jij denkt mij te kunnen verslaan?”zei Gerloef met een grijns op zijn gezicht “Goed, ik neem de uitdaging aan. Wat is de inzet?” Tommeloef zei: “Slaafje spelen. Als ik win, moet je de rest van de dag doen wat ik zeg. Als jij wint, zal ik naar jouw pijpen dansen.” Gerloef begon nu nog breder te grijnzen. Hij zag dat wel zitten, vooral omdat hij zich al zeker waande van de overwinning. Loreliefje porde Kannelijntje aan. Ze hoopte dat haar vriendinnetje een idee had. Kannelijntje kon hier echter niets aan veranderen. Als je iemand voor een duel uitdaagde en dit werd aanvaard dan kon je daar niet meer op terugkeren. En nu waren alle kinderen getuige van deze uitdaging.
Iedereen trok naar de andere kant nog steeds aan de noordkant, waar de walnotenboom stond. Hier was er een pleintje gemaakt met enkele bankjes waarop oudere mannetjes en vrouwtjes konden uitrusten. Op deze plek stond ook de sparrenappelenbaan. Dit was een strook waarop tien sparrenappels stonden elk in een kuiltje zodat ze niet omvielen. Ze stonden in een driehoeksvorm, vier appels op de achterste rij, drie appels daarvoor, twee appels op rij twee en helemaal vooraan één appel.
De bedoeling was om in zo weinig mogelijk worpen alle sparrenappels om te gooien. De spelers moesten op tien passen van de sparrenappels blijven. Dit was net de plek waar één van de wortels van de notenboom naar boven stak. Deze wortel deed dienst als lijn waar de spelers niet over mochten komen als ze hun worp deden. De spelers mochten dus een aanloop nemen, maar niet verder lopen dan de lijn anders was hun worp ongeldig en werd die worp als een nulscore aangerekend. De bedoeling was om alle sparrenappels om te gooien in zo weinig mogelijk worpen. Bij een gelijke stand werd er gekeken wie bij de eerste worp de meeste sparrenappels had omver gegooid. Was dat ook nog gelijk dan was het aan de scheidsrechter om te beslissen hoe de winnaar werd bepaald. De scheidsrechter kon vragen dat de spelers in een andere houding de bal wierpen, bijvoorbeeld vanuit stand, achterwaarts tussen de benen of plat liggend op de buik. Wie dan in één worp de meeste kegels omver kon gooien was de winnaar. Het was Noralief die werd verkozen tot scheidsrechter. Zij moest de scores bijhouden en erop toezien dat alles eerlijk verliep. Zij was zelf ook heel goed in sparrenappelen, de onbetwiste kampioen bij de meisjes. Ze was nogal gezet en niet meteen het mooiste meisje, maar wel aardig en doodeerlijk. Er werd geworpen met steentjes die een ronde vorm hadden zodat ze beter rolden over de grond. Ze werden gemakkelijkheidhalve ballen genoemd. Iedere speler had zo zijn of haar eigen bal.
Het was aan de uitdager om eerst te werpen. Heel geconcentreerd deed Tommeloef zijn eerste worp. En dat was meteen een hele goede. Hij gooide maar liefst zes sparrenappels om. Hij nam zijn tijd voor zijn tweede worp omdat Gerloef, maar bleef kwebbelen om hem uit concentratie te brengen. Noralief maande hem tenslotte aan om zijn mond te houden. Als hij dat niet deed, dan zou ze hem een strafbeurt gegeven. Dit betekende dat ze één worp met een nulscore bij zou tellen bij het aantal worpen dat Gerloef had gedaan. Gerloef hield eindelijk zijn mond en Tommeloef kon zijn tweede worp doen. De gevallen kegels werden van de baan gehaald voor er een volgende worp kon worden gedaan. Ook Tommeloefs tweede worp was een goede. Er gingen er drie tegen de vlakte. De laatste sparrenappel wankelde een beetje, maar bleef toch staan. Tommeloef vloekte eventjes, maar concentreerde zich al snel voor zijn derde worp. Die laatste sparrenappel moest nog omgegooid worden. Hoewel het misschien gemakkelijk leek om slechts één sparrenappel om te gooien was dat net niet zo. Je moest extra goed mikken. Je steentje kon soms vreemde bewegingen maken. Soms was de baan een beetje hobbelig waardoor het steentje van zijn lijn kon afwijken. Tommeloef mikte echter goed en ook die ene sparrenappel ging tegen de grond. Noralief riep de score: “Tommeloef, 3 worpen, 6 – 3 -1.”
Nu was Gerloef aan zet. Zelfverzekerd deed hij zijn eerste worp. Het was een goede, maar niet zo goed als de eerste van Tommeloef. Gerloef kreeg de helft van de sparrenappels (vijf dus) tegen de vlakte. Nadat de gevallen sparrenappels weer uit het veld waren weggenomen, deed hij zijn tweede worp. Het was een harde worp en alle overgebleven sparrenappels vielen op de grond tot groot ongeloof van het publiek. Na een korte stilte riep Noralief : “Gerloef, 2 worpen, 5-5. Gerloef is de winnaar.” Tommeloef moest niet eens op dit verdict wachten om te beseffen dat hij had verloren. Hij was op zijn knieën gevallen met zijn hoofd schuddend. Hij had nooit gedacht dat hij na zo een goede eerste worp nog kon verliezen. Gerloef had er allemaal geen begrip voor en ging naar hem toe. Hij sprak: “Ok slaaf nu moet je naar mij luisteren. Oh dit gaat leuk worden!” Zuchtend krabbelde Tommeloef overeind. Gerloef zei: “Oh, blijf maar op de grond slaaf. Je moet mij volgen op handen en voeten. Loreliefje keek naar Kannelijntje met een blik die vroeg “alsjeblieft doe iets”, maar het elfje keek al even moedeloos. Ook zij had hier geen antwoord op. Loreliefje liep naar Gerloef toe die al bijna was gaan zitten op de rug van Tommeloef om hem als rijdier te gebruiken.
“Gerloef stop!” riep Loreliefje. “Wat moet je?” sprak Gerloef. “Alsjeblieft, doe dit niet. Dit gaat Tommeloef veel verdriet doen en zijn ouders en al zijn vrienden…” Gerloef haalde zijn schouders op en zette zich neer op de rug van Tommeloef. “Daar had hij dan maar eerder aan moeten denken toen hij mij uitdaagde.”sprak Gerloef “Ik heb eerlijk gewonnen. Hup, lopen slaaf. Jij speelt voor wezel nu.” Nu was ook Kannelijntje erbij gekomen en kwam voor Gerloef staan. “Aan de kant Kannelijntje!” zei Gerloef “Jij gaat me deze keer niet op andere gedachten kunnen brengen.” Kannelijntje zei: “Ik heb een beter voorstel. Ik speel tegen jou sparrenappelen, maar we spelen het geblinddoekt. Als ik win, dan laat je Tommeloef gaan.” Gerloef leek nog niet helemaal overtuigd en vroeg: “En wat als ik win?” Kannelijntje zei: “Dan neem ik Tommeloef zijn plaats in.” Gerloef sprong meteen van de rug van Tommeloef en zei enthousiast: “Akkoord!” Tommeloef krabbelde meteen overeind en zei: “Neen, Kannelijntje dat mag je niet doen. Hij zal je zo vernederen. Je moet niet opdraaien voor mijn domheid.” Loreliefje hielp Tommeloef met opstaan en sprak: “Rustig maar, Kannelijntje weet wel wat ze doet. Ja toch, hé Kannelijntje?” Kannelijntje zei hier niets op en richtte zich tot Yonie. “Yonie wil jij mijn bal gaan halen?” Yonie keek Kannelijntje verbaasd aan. “Je bal halen?” sprak ze. “Je weet wel, die bal die daar dichtbij jouw huisje ligt. Je hebt er verschillende, maar ik wil de beste eruit.”zei Kannelijntje. “Oh die bal bedoel je!” zei Yonie ‘Ja, nu weet ik welke je bedoelt!” Yonie spoedde zich naar het bloemenveld.
Ondertussen werd de sparrenappelenbaan weer in orde gebracht. De sparrenappels werden weer recht gezet. Gerloef en Kannelijntje kregen allebei een blinddoek aangemeten. Deze moesten ze allebei op houden totdat ze allebei hun worp hadden gedaan. Zo konden ze niet zien hoe de ander wierp en die ook niet uit concentratie proberen brengen. Gerloef zou de eerste worp doen. Noralief stopte Gerloef zijn steen toe en hielp hem om plaats te nemen achter de boomwortel. Vanuit stand gooide hij zijn steen recht vooruit. Hij kon uiteraard niet mikken omdat hij niets zag door de blinddoek. Hij gooide er drie om. Noralief sprak: “Niet slecht, je hebt er drie omgegooid.” Ze vroeg aan enkele andere kinderen om de omgevallen sparrenappels weer recht te zetten. Dat deden ze ook. Kannelijntje begon nu zenuwachtig met haar handen te wringen. Dit was omdat Yonie nog steeds niet terug was. Zo gauw de sparrenappels weer recht stonden, was het haar beurt om te gooien. En als Yonie dan nog niet daar was met haar bal, moest ze met die van Gerloef gooien. Loreliefje had dit gezien en kneep haar vriendinnetje in de hand. Ze fluisterde: “Rustig maar, Yonie is er.”
Inderdaad Yonie kwam eindelijk aangevlogen en had een steentje in haar handen. Ze overhandigde die aan de scheidsrechter. Noralief bekeek de bal op een vreemde manier, maar stopte die dan toch in de handen van Kannelijntje. Ze hielp het elfje om plaats te nemen achter de boomwortel. Kannelijntje richtte de hand op waarin ze het steentje had vastgenomen. Ze gaf er een kus op het steentje en fluisterde: “Doe je best…” Met een sierlijke zwaai wierp ze het steentje weg. Met ontzetting keek iedereen hoe het steentje door de lucht bleef vliegen en de grond niet wilde raken. Nog meer verrast waren de kinderen toen ze zagen dat het steentje de sparrenappels haast een voor ging aantikken waardoor ze allemaal op de grond vielen. Toen de laatste sparrenappel op de grond lag, viel het steentje naar beneden achter één van de sparrenappels.
“Hoe is het mogelijk?” zei Noralief hoofdschuddend. “Hoeveel heeft ze er omgegooid?” zei Gerloef die al de hele tijd met ongeduld zat te wachten totdat Noralief iets zou zeggen. Omdat de scheidsrechter niets zei, deed hij zelf zijn blinddoek af om te kijken. Toen hij zag dat alle sparrenappels op de grond lagen, schudde hij het hoofd. Hij riep: “Maar dat kan toch niet! Hoe kan ze ze nu allemaal hebben omgegooid? Dat is toverij! Dat kan niet, iemand anders moet ze hebben omgeduwd!” Hij richtte zich tot Noralief hopende dat zij hem gelijk zou geven. Noralief zei: “Neen, hoor de andere kinderen zijn de hele tijd hier blijven staan. Er is niet vals gespeeld. Kannelijntje heeft eerlijk gewonnen.” Kannelijntje werd inmiddels van haar blinddoek bevrijd door Yonie. Meteen werd ze uitgebreid geknuffeld door Loreliefje. Het meisje was ongelooflijk blij dat haar vriendinnetje niet het slaafje moest gaan spelen van Gerloef. Gerloef was boos en riep: “Oh, wacht maar! Nu hebben jullie gewonnen, maar ik krijg jullie wel een volgende keer!” Gerloef griste zijn bal van de grond en droop kwaad af. Kannelijntje werd gefeliciteerd door alle andere kinderen die haar zeiden dat ze het geweldig vonden hoe ze die vervelende Gerloef een lesje had geleerd. Tommeloef zei: “Dank je wel, Kannelijntje. Dankzij jou hoef ik nu geen slaaf te gaan spelen. Ik zal volgende keer beter nadenken alvorens ik hem uitdaag, maar ik was zo boos op hem.” Kannelijntje zei: Dat is graag gedaan hoor. Ik had het nooit gekund zonder de hulp van Yonie en de magische bal.”
“Magische bal?” zeiden Loreliefje en Tommeloef tegelijkertijd. Yonie lachte en riep: “Riko, kom eens hier!” Vanachter de omgevallen sparrenappels kwam het balletje nu opgestegen en vloog naar de verbaasde kinderen toe. Het landde op de hand van Yonie. “Je mag ontrollen, lieverd.” zei Yonie. Het balletje ontrolde zich. De kinderen konden nu zien dat het hele kleine witte pootjes had, een grijsbruine huid en twee kleine voelsprietjes vooraan.” “Oh, het is een pissebedje.”zei Loreliefje “Dat is slim zeg!” Loreliefje aaide het beestje over het lijfje. Het beestje liet zich dit welgevallen. Tommeloef zei: “Maar hoe heb je dat beestje laten vliegen? Pissebedjes kunnen toch niet vliegen of wel?” Yonie lachte: “Je mag nooit de kracht van elfjesstof onderschatten!” Riko ging weer vliegen en landde op de hand van Loreliefje. Hij had er al snel een nieuw vriendinnetje bij. “Eigenlijk hebben we wel een beetje vals gespeeld.”zei Kannelijntje en ze keek verontschuldigend naar Noralief. Noralief zei: “Ach, ik wil het wel door de vingers zien hoor. Ik vond dat Gerloef sowieso een lesje had verdiend. Heel slim gedaan zeg. Maar doe dit alsjeblieft niet op het tornooi.” De kinderen lachten hier allemaal hartelijk om. Daarna speelden ze nog spelletjes totdat ze moe werden en met een goed gevoel weer naar huis konden. Het was een mooie dag geweest.
Ja, dit waren dus echte vrienden die steeds voor elkaar opkwamen. De elfjes aarzelden niet om hier zelfs hulp van dieren voor in te roepen. Elfjes deden immers veel voor dieren en de dieren hielpen hen ook in ruil daarvoor. Ook Loreliefje zou op een dag merken hoe belangrijk de dieren wel konden zijn. Maar dat verhaal lieve lezers is voor een andere keer.